Rekenen met schoenen (groep 2-3)
In de kring staat een tafel met een grote berg schoenen. Kinderen krijgen de opdracht om al deze schoenen in groepjes te sorteren. Ze overleggen met elkaar hoe ze dit het beste kunnen aanpakken, en komen daarbij op allerlei ideeën. Zo kun je schoenen sorteren op zomer- en winterschoenen, op mannen- en vrouwenschoenen, volwassen maten en kindermaten, op donkere en lichte kleuren. Kinderen leren zo orde aan te brengen op basis van vorm, kleur en maat.
Zodra de schoenen netjes zijn gegroepeerd, vraagt de leerkracht welke stapel de meeste, en welke stapel de minste schoenen heeft. Ook moeten kinderen raden hoeveel paar schoenen er in totaal op tafel liggen. Alle getallen die worden genoemd, schrijft de leerkracht op het bord. Daarna tellen de kinderen de verschillende groepen schoenen zelf na. Dat gebeurt in sprongen van 2-4-6-8 enzovoorts. De kinderen komen er nu achter dat de hoogste stapel niet per definitie uit de meeste schoenen hoeft te bestaan.
Nu ze weten hoeveel schoenen er op elke stapel ligt, kunnen ze deze aantallen in één keer bij elkaar optellen;
10 paar kinderschoenen + 8 paar damesschoenen + 6 paar herenschoenen = 24 paar schoenen.
De kinderen vergelijken deze uitkomst met de getallen die op het bord staan. Wie zat er het dichtst bij?